De eerste Workumer fietskarren
Merk 4
8711 CL Workum / Warkum
tel. 0515 - 54 12 31



De eerste Workumer fietskarren
Toen op 14 oktober 1863 de spoorlijn Harlingen-Leeuwarden feestelijk werd geopend als eerste van het zogeheten Noordernet van de Staatsspoorwegen, ging de Workumer wagenmaker Andries Tjebbes Deinum op zijn eigen driewielige trapwagen dat heel moderne verkeersmiddel eens bekijken. Andries die in de jaren 1855/1860 het door zijn grootvader Jochum Deinum opgerichte bedrijf van Sietse Ketelaar overnam werd op 6 mei 1831 te Workum geboren als zoon van Tjebbe Ulbes Deinum en Jaintje Jochums Haagsma. De wagenmakerij stond op it Súd C 10 en de bergplaats voor hout, wagens en onderdelen op Súd C 7.

Haintje Jan Yntema schrijft over Andries Deinum het volgende:
Deze was een prima vakman, die het vak tot in de kleinste onderdelen beheerste. Hij maakte machtig mooie Friese sjezen. Het beeldhouwwerk had hij goed onder de knie. Ook maakte hij kapsjezen en glaswagens. Het was een onvermoeibare werker, die in de zomer `s morgens al om 4 uur bij de bankschroef stond. Hij was een mooie maar ook een vlugge werker. Het was een streng orthodoxe man, maar een die voor zijn woord stond. Dat iemand zijn plicht tegenover anderen niet deed, kon hij niet zien en zei er ook het zijne van. Dat bezorgde hem wel eens kwade vrienden. Een schildersknecht werkte destijds bij schilder W. de Vries. De knecht kwam `s morgens altijd een kwartier te laat. Dan riep Andries Deinum uit de werkplaats weg: “Al wer te let?” Zo ging dat elke morgen, tot zolang het die knecht verveelde en een hooggaande ruzie was het einde. Maar die schildersknecht verbeterde zich en kwam `s morgens beter op tijd. Dat had Deinum er bij gewonnen…

Het bedrijf van Deinum werd in 1876 overgenomen door zijn knecht Obe Haintjes Yntema.

Durk Jans Driebergen, werd op 24 juni 1824 te Workum geboren als zoon van zoon van Jan Koenes Driebergen en Hotske Durks Nagtegaal. De wagenmakerij stond tegenover de Kettingbrêge.

Durks zoon Jan Driebergen (geb. Workum 10 maart 1858)  heeft jaren later verteld hoe de wagentjes van Andries Deinum en  Durk Driebergen er uitzagen:
“Ik herinner me die oude vehikels nog zeer goed. 't Waren houten bakken, twee achterwielen en één voorwiel. In de as van de achterwielen zaten oorspronkelijk twee krukslagen en deze draaiden door middel van twee stangen, die met de handen werden voortbewogen. Men stuurde met een roer, dat voor op de wagen zat. Dit werd verschoven met de voeten. Later werden de twee krukken vervangen door één in het midden der as. Men had dus ook één stang, die met beide handen heen en weer werd bewogen. Om het werk  wat lichter te maken, kon voor op de wagen een zeiltje worden aangebracht.”

Toen Jan zeven jaar was, kwam een palingschipper in de wagenmakerij van zijn vader en sprak de klassieke woorden: “Kijk eens Durk, op zulke dingen rijden ze in Londen en het gaat vlug ook.” De schipper liet de wagenmaker een prentje zien van een houten tweewieler. Durk maakte toen voor zijn zoontje zo'n tweewielertje. Hoe dat zoontje er in 1865 op fietste, vertelde hij later:
“Op een vrije woensdagmiddag toog ik er op uit om het rijden te leren. Daar ik jongens in menigte bij me had, die me voortduwden, was 't evenwicht bewaren zo maar klaar en kon ik ook het trappen leren. 't Gevolg was, dat ik zelf rijdende thuis kwam. Toen ik de volgende dag langs de hoofdstraat reed, werd ik als een wonderdier aangegaapt door de eerzame burgerij. De fiets was helemaal van hout; het voorwiel, beide met vrij dikke ijzeren banden. Op de verbindingsbalk was een zadel bevestigd op een stuk omgebogen bandijzer en gevuld met een paar oude sokken! Men zat zich namelijk zo door, dat verscheidene beginnelingen na zo'n rit, vooral als het over de straatkeien ging, de eerste dagen niet op een stoel konden zitten”.


Lees ook de volgende artikelen uit de Bolswardsche Courant:

de wagenmakerij op Súd C 10


Bolswardsche Courant, donderdag 18 december 1862

Ingezonden

  Zekere D.(Durk Jans Driebergen), wagenmaker alhier, heeft onlangs een wagen vervaardigd, dien men alhier als eenig in zijn soort kon beschouwen, daar dezelve zich zonder stoom of eenig trekdier langs de straat beweegt. Bovengenoemde D. weet zijn voorwaartsche bewegende kracht te bewerken, door middel van twee hefboomen of stokken, welke hij in verbinding met de wielen heeft bewerkstelligd. Gelijk de meeste nieuwe uitvindingen, aan verbeteringen onderhevig zijn, bleek het alras, dat dit ook het geval met het nieuw uitgevonden rijtuig van D. was. Heden middag zag men nog een wagen van dezelfde soort zich langs de straat bewegen, die, wat de snelheid aangaat, bovengenoemde ver overtreft, welke vervaardigd was door A. (Andries Tjebbes Deinum), ook wagenmaker alhier. Weinige oogenblikken na het verschijnen van A. zijn wagen, zag men ook D. weder te voorschijn komen met zijn rijtuig, en had men als het ware een wedren van deze zonderlinge  rijtuigen. Alles is zonder ongelukken afgereden, hoewel A. het ongeluk had, met zijn wagen om te storten, waardoor hij zelfs in aanraking met de straatstenen, en de wagen zich in onderst bovenste rigting aan zijne zijde bevond.

  Sedert de stoom, door de verbetering door Watt aan 't stoomwerktuig aangebragt, tot beweegkracht is gebezigd, zijn er steeds pogingen gedaan, om er ook wagens langs den gewonen weg door in beweging te brengen. Olivier Wans, heeft daartoe vele proeven gedaan; thans is men op het terrein, wagens te maken, die door stoom gedreven, niet zoo haastig loopen, maar tevens vrachtgoederen kunnen  overbrengen. Te Tetford, in Norfolk, is voor zulke wagens een fabriek, die een aantal straatlocomotieven aflevert.

  Het is te wenschen, dat bovengenoemde wagenmakers zich eerlang ook mogen verheugen in het bezit te zijn van zulk eene fabriek, welke deze straat-locomotieven om hunne kostbaarheid vervangen, en zich alsdan in een ruim debiet mogen verheugen, als het loon van hunne praktijk.
            Een vriend van rijden.
     Workum
16 December 1862.

gemeentehuis te Koudum

Bolswarsche Courant,  donderdag 29 januari 1863

  De lezers van de Bolwardsche Courant zullen zich herinneren, dat wij onlangs melding hebben gemaakt van twee zonderlinge wagens, welke vervaardigd waren door A. en D., wagenmakers alhier. Thans kunnen wij nog mededeelen, dan A. en D. heden morgen omstreeks 9½ uur met hunne wagens van nieuw model van hier zijn vertrokken naar het naburige Koudum. Hoewel de weg op eenige plaatsen op nieuw was begrind, hetwelk de reis vertraagde, is de reis naar genoemd dorp, met het oponthoud daarbij gerekend, afgelegd in 1¼ uur, en de terugreis in ¾ uur. Daar nu de afstand wordt gerekend op 1½ uur gaans, is dit een bewijs, dat deze wagens, volgens den terugtogt, tweemaal zoo snel gaan als een gewoon voetganger. Voorzeker een goed uitzigt voor het reizend publiek, om goedkoop en spoedig te reizen. Stonden de bewoners van London Road en Presconstreet en van Liverpool verbaasd te kijken, toen zij een locomotief, die van Manchester kwam, voor het eerst den openbaren weg en de straat zagen passeren, - niet minder verbaasd stonden Koudums bewoners te kijken, toen deze wagens, gedreven zonder stoom of trekdier langs hunne wegen en straten rolden. De belangstelling, om deze zonderlinge rijtuigen van nabij te zien, was zoo groot, dat sommigen den weg langs de bouwlanden insloegen, ten einde den weg te bekorten; ook de heeren van het Gemeentehuis verlieten voor eenigen tijd hun verblijf, ten einde hunne nieuwsgierigheid te bevredigen; kortom, geen oudje van het schoone geslacht bleef bij haar zoo geliefkoosd spinrad, ten einde deze wagen te aanschouwen. Ook de straatjeugd bleef niet in gebreke, om hare verbazing door luide kreten van bijval lucht te geven; zelfs vergat zij bij het vertrek der wagens naar Workum, 't welk ongeveer te 2 ure plaats had, hare schoolpligten en begeleidde de rijders een eindweegs buiten Koudum; de wagens waren echter te vlug, en de kinderen konden weldra niet anders dan ze nakijken en vervolgens terugkeeren.

  Toen een jeugdig handwerkman in Frankrijk, koperdraaijer van beroep, in 1859 toevalliger wijze, terwijl hij bezig was met draaijen, een nieuwe kracht vond, waardoor hij het werk van een man twee honderd maal konde vermeerderen, werd de uitvinder onmiddellijk naar Parijs ontboden en door een der grootste kapitalisten in bescherming genomen. Waarschijnlijk worden onze wagenmakers ook eerlang naar den Haag ontboden en ook door groote kapitalisten ondersteund, ingenieur Salomon de Caus, die 1630 den kardinaal de Richelieu, den magtigen minister van den toen regerenden koning, zijne nieuw uitgevonden
door kundige mannen zoude laten onderzoeken. Hij werd afgewezen, en het gevolg was, dat de ongelukkige de Caus krankzinnig werd. Dewijl de tijd nu daar is, om landen en volken met tooverkracht aan elkander te binden, en de ontwikkeling der natiën een hooger vlugt heeft genomen dan in de tijden van de Caus, is het niet te denken, dat de uitvinding onzer wagenmakers overal wordt bespot en uitgekreten gelijk die van Salomon de Caus. Naar men verneemt, zullen zij eerstdaags ook een reisje naar het naburige Bolsward ondernemen, en waarschijnlijk van daar naar Franeker, hoewel men dit nog niet met zekerheid weet.

     Workum
den 26 Januarij 1863            J S
het tolhuis

Bolswarsche Courant, donderdag 19 februari 1863

Ingezonden
Workum, den 12 Februarij 1863.

  Heden morgen omstreeks elf uur zijn A. en D., wagenmakers alhier, met hunne wagens van nieuw model van hier vertrokken, ten einde de door ons voor eenigen tijd aangekondigde reis naar Bolsward te volvoeren. In hoeveel tijd de reis heen en terug is afgereden, kunnen wij ditmaal niet met zekerheid melden, dewijl de togt op verre na niet zoo gelukkig is afgeloopen als die naar Koudum. Alles scheen heden zamen te spannen, ten einde de marschroute te vertragen. Naauwelijks had S. (Sjerp Ymes de Jong), tolgaarder van het Workumer Tolhuis, de rijders in het gezigt, of hij sloot het hek, ten einde eerst eene overeenkomst aangaande den tol te treffen, daar in zijn tarief van tolheffing geen artikel voorkomt, hetwelk deze soort van wagens aanduidt. Na met S. eene overeenkomst gesloten te hebben, vervolgden zij hunnen togt, die echter aanmerkelijk belemmerd werd, doordien de weg tot aan Parrega gedeeltelijk op nieuw was begrind en zelfs op sommige plaatsen was voorzien van stuk geslagen steenen. Te Parrega werd de weg beter, en onze reizigers gingen nu in snellen rid voorwaarts, tot dat op eenigen afstand van Bolsward de wagen van D. onder zijnen last bezweek, 't welk ten gevolge had, dat hij zijn rijtuig vervolgens als een slede naar Bolsward moest voeren, om het daar de noodige herstellingen te doen ondergaan. Inmiddels reed A., begeleid door eene menigte nieuwsgierigen, gelijk eertijds een overwinnaar uit den circus maximus, langs Bolswards straten. Na afgedane zaken en de noodige herstelling aan den wagen van D. heeft men de terugreis weder aangenomen. Toen men te Tjerkwerd passeerde, ontdeden eenigen zich van hunne klompen, ten einde onze rijders des te spoediger van nabij te zien; omstreeks Parrega lieten zij de trekschuit naar Workum achter zich, niettegenstaande deze van paard en zeil was voorzien. Een eindweegs voorbij Parrega bezweek, helaas ook de wagen van A., en moest deze op dezelfde wijze zijnen wagen vervoeren als D. in de heenreis. Het gevolg hiervan was, dat D. ditmaal als overwinnaar langs Workum's straten rolde, terwijl A. zijn rijtuig op het tolhuis achterliet.
  
  Toen onlangs, volgens een schrijven, de heer Gerard eene uitvinding deed, waardoor het spoorwegstelsel welligt eene verandering zal ondergaan, heeft die heer onder bescherming van keizer Napoleon een proefspoorweg aangelegd, die zoo naar wensch is geslaagd, dat de keizer eene commissie heeft benoemd, om over dit stelsel rapport uit te brengen. Hoewel nu met de wagens van A. en D. reeds eenige proeftogten zijn gedaan, heeft men nog niet vernomen, dat er op last van Z. M. eene commissie tot onderzoek van deze wagens is ingesteld, ten einde verslag over dit wagenstelsel uit te brengen.

  Bij de oude Romeinen behoorden de wagen-wedrennen tot de openbare vermaken; de groote circus maximus was daartoe hun lievelingsplek. Na afloop van zulk een wedren werd aan den overwinnaar door den keizer het regt toegekend op een gouden en metalen standbeeld. Indien die goede oude tijd eens terugkeerde, en de circus maximus, die thans met gras en struiken is begroeid, weder in zijn vorigen luister werd herschapen, en de keizer bij zulk een wedren ook A. en D. als mededingers ontwaarde, zou hij voorzeker, al werden zij ook geen overwinnaars, hun toch nog het regt toekennen op een standbeeld, en waarschijnlijk ook op een marmeren graf.
J S



Bronnen:
Bolswarsche Courant van 18/12/1862, 29/01/1863 en 29/02/1863
Vijfenzeventig jaar Gazelle
Geschiedenis eener Wagenmakery, Nieuwsbrief Warkums Erfskip 1998

Met dank aan Gerrit Kan van Tweewielermuseum de Tankstop te Workum die Warkums Erfskip op bovenstaand verhaal attendeerde en de tekst ter beschikking stelde.

Opmerking:
"Andries die in de jaren 1855/1860 het door zijn grootvader Jochum Deinum opgerichte bedrijf van Sietse Ketelaar overnam werd op 6 mei 1831 te Workum geboren als zoon van Tjebbe Ulbes Deinum en Jaintje Jochums Haagsma."
Ik vermoed dat hier in plaats van 'Jochum Deinum', 'Jochum Haagsma' moet    staan. Jochum (Cornelis)Haagsma (ca 1771-1848) was de vader Jaintje Jochums Haagsma en wagenmaker van beroep. De andere grootvader van Andries Deinum, was Ulbe Tjebbes Deinum, die visser was. Ook in de tekst "Geschiedenis eener Wagenmakery" staat deze fout. Hoewel het slechts een klein detail is, wilde ik het u toch even schrijven. Ook ik kan me uiteraard vergissen en als dat het geval is, hoor ik dat graag.

Met vriendelijke groet,
T. Deinum
janrtr@hotmail.com